| Het Getij |
| Het verschil in hoog en laag water, het getij, wordt veroorzaakt door de aantrekkingskrachten
van de maan en in mindere mate van de zon. Bij hoog water perst de vloedstroom zich door de gaten tussen de
eilanden naar binnen. De sterke stroom slijpt hier diepe geulen uit (soms wet meer dan 40 meter diep). Verderop
de Waddenzee in wordt de stroom steeds minder sterk en vertakt de geul zich in steeds kleinere geulen en in nog
kleinere prielen. Bij elk "gat" ontstaat zo een afzonderlijk geulen- en prielenstelsel. |
| Aanslibbing |
In het water dat tweemaal per 24 uur de Waddenzee binnenstroomt zit veel fijn zand, slib
en klei. Het kolkende en bruisende water heeft een grote draagkracht. Als het water eenmaal in de Waddenzee is,
spreidt het zich uit over het gehele gebied. De stroomsnelheid wordt steeds kleiner, het water kalmer en de
zand- en slibdeeltjes gaan bezinken. In de uitloper van de kleinste prielen is de stroming het zwakst en hier
bezinkt het meeste meegevoerde slib en zand. Waar twee geulenstelsels elkaar ontmoeten is de bodem dus het
hoogst. Dit noemen we het wantij. Vooral in de oostelijke Waddenzee is het mogelijk over het wantij naar de
eilanden te lopen!
Ook langs de kust, waar de stroming minimaal is wordt veel slib afgezet. Dit werdt sterk bevorderd door de
z.g. "landaanwinningswerken" die het slib verhinderen weer terug te vloeien.
De bodem van de Waddenzee wordt door aanstibbing ongeveer 17 cm. per eeuw opgehoogd. Toch slibt de Waddenzee
niet dicht. Doordat er ijs aan de polen smelt, stijgt de waterspiegel nl. ongeveer 10 cm. per eeuw. Bovendien
daalt de bodem van de kust van Noord Nederland zo'n 7 cm. per eeuw.
Daling en stijging van de Waddenzeebodem houden elkaar dus mooi in evenwicht! |
|
|
| Leven |
Met de vloedstroom uit de Noordzee komt niet alleen zand en klei naar
binnen, maar ook enorme hoeveelheden kleine plantjes en diertjes. Deze zweven vrij in het water en worden
daarom plankton (is: zwevend) genoemd.
Verder zit er in het water veel dood plankton en de resten van talloze dode planten en dieren uit de zee
(detritus).
Dat plankton en die detritus vormen een enorme voedselvoorraad die met de regelmaat van de klok het
Waddengebied binnenstroomt. Je zou de Waddenzee kunnen vergelijken met een fuik: Dat wil zeggen dat van de
aangevoerde stoffen veel worden vastgehouden die er bij eb niet meer uitstromen.
Dit komt o.a. doordat schelpdieren en wormen het zwevende materiaal omzetten in vast materiaal. Bovendien is
de vloedstroom sterker dan de ebstroom. |
| Leven maakt leven |
Het plantaardige plankton wordt gegeten door wormen en schelpdieren.
Deze worden gegeten door vogels en voor een deel ook door vissen. De vissen worden op hun beurt weer gegeten
door vogels, zeehonden en mensen.....
Zo ontstaan hele rijen van soorten, waarvan de één zich met de ander voedt: zgn. voedselketens.
Dit ontstaan van voedselketens brengt met zich mede dat de ene diersoort afhankelijk is van de andere. Vooral
als een bepaalde diersoort slechts één soort voedsel gebruikt. Vermindering of verdwijning van
enkele diersoorten in het Waddengebied zou het hele evenwicht verstoren en alle leven in gevaar kunnen
brengen. |
|